THEATER/MUZIEK

I SOLISTI & Jan Decleir

Mars om de macht te verspelen

Film, muziek en theater vinden elkaar in een schalkse satire op macht

In ‘Dagboek van Gloemov’ (1923) drijft de controversiële Russische filmregisseur Sergei Eisenstein schertsend de spot met de hypocrisie van de Russische aristocratie. De surrealistische montage en door Chaplin geïnspireerde commedia dell’arte is een clownesk commentaar op de grootheidswaanzin. I SOLISTI speelt er livemuziek bij van de jonge componist Jasper Charlet.

Met ‘Octet for Wind Instruments’ (1923) van Igor Stravinsky laat I SOLISTI de onvrede met het Russische regime subtiel verder klinken. De volbloed neoclassicistische muziek ademt orde, rust en balans. Als ware het een dekmantel voor Stravinsky’s eigen turbulente vertrek uit zijn vaderland in 1910.

Mauricio Kagel was een eersteklas schenenschopper en meester in de ironie. In ‘Der Tribun’ (1979) - een hoorspel voor politiek redenaar, marsklanken en luidspreker - zette hij het politieke populisme in zijn hemd met hoempapakoper en schuinsmarcheerdersmuziek. Jan Decleir schittert in zijn rol als hedendaags volksmenner. Zijn betoog, op tekst van Dimitri Verhulst, is er één op het absurdistische af, met snedige verzen en dubieuze zinspelingen, de komst van een nieuw tijdperk bejubelend: ‘De toekomst wenkt, de lucht klaart op en zelfs de rozen kleuren blauw. Morgen, morgen is van mij en jou.’  

“Het wrang-komische hoogtepunt was een nieuwe versie van Mauricio Kagels absurdistische muziektheater der Tribun, met een volvette, deels berijmde tekst van Dimitri Verhulst. Niemand minder dan Jan Decleir kwam het podium opgemarcheerd, bonkend op een grote trom. Als virtuoos publieksmenner wond hij de toehoorders om zijn vinger, om vervolgens een fascistische directe of een xenofobe rechtse hoek uit te delen. Achter hem blies een zootje ongeregelde blazers zich stoïsch door Kagels heerlijke marsen van geordende chaos.” - Joep Stapel, NRC Handelsblad ****

“Kagel, muzikale grapjas en onvermoeibare schenenstamper, schreef zijn tien marsjes in 1979. Hij kleedde de heroïek van blinkende trompetten uit tot op het niveau van een amechtige dorpsfanfare. De muzikanten trappen naast de maat, razen door hun noten: het klinkt nergens naar. Tussen de marsen door liet Kagel een tribuun zich voorbereiden op zijn ultieme speech. […] Jan Decleir bleek de gedroomde vertolker. Verhulsts uitgebluste volksmenner laveerde tussen een wauwelende Berlusconi (‘een synergie van katholiek geloof en plastische chirurgie!”) en een tandenknarsende De Wever (‘van deze stront maak ik een staat’). Bont, verleidelijk en vermakelijk.” - Annemarie Peeters, De Standaard